ECLI:NL:CRVB:2020:3133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J.P.M. Zeijen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante diende een aanvraag in voor een WW-uitkering na beëindiging van een vermeend dienstverband met een eenmanszaak. Het UWV kende aanvankelijk een WW- en later een ZW-uitkering toe, maar startte een onderzoek naar de aard van het dienstverband. Uit het onderzoek en verklaringen van opdrachtgevers bleek dat appellante geen feitelijke werkzaamheden voor de werkgever verrichtte en dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband.
Het UWV beëindigde daarop de uitkeringen en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een dienstbetrekking. In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat zij een arbeidsovereenkomst en loonstroken had en dat zij wel degelijk werkzaamheden verrichtte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Appellante kon dit niet met objectief en verifieerbaar tegenbewijs weerleggen. Diverse inconsistenties in de verklaringen, loonstroken en het ontbreken van bevestiging door opdrachtgevers ondersteunden dit oordeel. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en verklaart het hoger beroep ongegrond.