ECLI:NL:CRVB:2020:315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid
Appellant was promotiemedewerker en meldde zich ziek na een scooterongeval waarbij hij een fractuur aan de linkerduim opliep en later rug-, nek- en schouderklachten meldde. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar verklaarde hem per 1 augustus 2016 geschikt voor zijn werk en trok de uitkering in. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, waarbij hij een medisch rapport van orthopedisch chirurg Giesberts overlegde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de subjectieve klachten van appellant niet doorslaggevend. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het rapport van Giesberts geen objectieve aanwijzingen geeft voor arbeidsongeschiktheid op 1 augustus 2016. De klachten zijn niet te objectiveren en er is geen medische grondslag voor beperkingen in de maatgevende functie.
De Raad benadrukt dat arbeidsongeschiktheid in de Ziektewet alleen kan worden aangenomen als er een objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek is dat het verrichten van arbeid verhindert. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken als er een eenduidige en medisch gemotiveerde opvatting bestaat, maar dat is hier niet het geval. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de Ziektewetuitkering per 1 augustus 2016 blijft gehandhaafd.