ECLI:NL:CRVB:2020:3164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAZ-uitkering wegens voortzetting bedrijf en niet-naleving inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 1 augustus 2014 een IOAZ-uitkering nadat hij zijn bedrijf had beëindigd. Het dagelijks bestuur trok deze uitkering in juli 2017 in omdat appellant zijn bedrijf voortzette, en eerder in mei 2017 wegens verblijf in het buitenland langer dan toegestaan.
Appellant voerde aan dat hij slechts werkzaamheden afrondde en dat het dagelijks bestuur op de hoogte was, maar de Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht onverwijld en uit eigen beweging moet worden nageleefd. Het achteraf overleggen van bankafschriften was onvoldoende om de schending te herstellen.
Het beroep op het rechtszekerheids-, motiverings- en vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat de voortzetting van het bedrijf en de schending van de inlichtingenplicht het vertrouwen in de uitkering doorbraken. Ook was niet aannemelijk dat het dagelijks bestuur gedurende de hele periode op de hoogte was van de voortzetting.
De eerdere ongedaanmaking van een intrekking in november 2016 leidde niet tot een recht op uitkering zonder nader onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de IOAZ-uitkering blijft gehandhaafd.