ECLI:NL:CRVB:2013:2087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en boete wegens niet-melding detentie bij WW-uitkering
Appellante ontving vanaf juni 2008 een WW-uitkering en was van 24 februari tot 24 maart 2010 gedetineerd, zonder dit tijdig aan het UWV te melden. Pas na een melding van mogelijke uitkeringsfraude startte het UWV een onderzoek en trok de uitkering over die periode in, met terugvordering van €1.468,98 bruto. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante voerde aan dat zij de detentie op 1 april 2010 aan de verzekeringsarts had gemeld en dat de boete onterecht was. De Raad oordeelde dat het niet melden van detentie een ernstige overtreding is, omdat het recht op WW-uitkering direct eindigt bij detentie. Het enkele melden aan de verzekeringsarts was onvoldoende; de uitkeringsafdeling moest ook geïnformeerd worden.
De Raad bevestigde dat het UWV conform beleid de bruto bedragen mocht terugvorderen, omdat appellante niet binnen het belastingjaar het te veel betaalde had terugbetaald of kenbaar had gemaakt dit niet te willen behouden. De boete van €75,- werd passend geacht gezien de ernst en verwijtbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bruto terugvordering en boete worden bevestigd.