ECLI:NL:CRVB:2020:3196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek terugkomen op weigering Wajong-uitkering na inhoudelijke herbeoordeling
Appellant heeft in 2009 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering die door het UWV werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een nieuwe aanvraag in 2015 en een daaropvolgend bezwaar is het bezwaar in 2016 ongegrond verklaard op basis van medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV het eerdere besluit inhoudelijk had heroverwogen en dat de medische beperkingen die appellant aanvoerde onvoldoende onderbouwd waren. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen ondervindt dan erkend en stelde dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen, wat werd verworpen.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het eerdere besluit, mede omdat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten voor aanvullende beperkingen in de relevante jaren. Hoewel het besluit niet volledig gemotiveerd was, leidt dit niet tot benadeling van appellant. Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met elf maanden is overschreden, waarvoor een schadevergoeding wordt toegekend.
De Raad veroordeelt de Staat en het UWV tot betaling van schadevergoeding respectievelijk €909 en €91 en bevestigt de eerdere uitspraak. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de weigering van de Wajong-uitkering wordt afgewezen en de redelijke termijn is overschreden, waarvoor een schadevergoeding wordt toegekend.