ECLI:NL:CRVB:2020:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- J.L. Boxum
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens meerpersoonshuishouden en geen gezamenlijke huishouding
Appellant ontvangt sinds 2002 een AOW-pensioen en had aanvankelijk een toeslag op grond van een gehuwdennorm. Na verhuizingen en wijzigingen in zijn huishouding met Y en later Z, heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen herzien omdat appellant volgens hen geen gezamenlijke huishouding voerde met Z, maar een meerpersoonshuishouden met Y en Z.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste herzieningsbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep betwist appellant dat sprake was van een meerpersoonshuishouden en stelt dat Y niet haar hoofdverblijf had in dezelfde woning en dat er geen wederzijdse zorg was tussen hem en Y.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Y niet in dezelfde woning woonde en dat er wel sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door verzorging en financiële verstrengeling. Hierdoor was sprake van een meerpersoonshuishouden, waardoor appellant niet als gehuwd met Z kon worden aangemerkt voor de toeslag.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen toeslag AOW ontvangt omdat hij een meerpersoonshuishouden voerde en niet als gehuwd met Z wordt aangemerkt.