Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:3211

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
16 december 2020
Zaaknummer
19-3369 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbAlgemene nabestaandenwet (ANW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening nabestaandenuitkering op grond van ANW wegens ontbreken nieuw feit

Verzoeker heeft in 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) ontvangen die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd ingetrokken en teruggevorderd. In 2010 werd de uitkering opnieuw toegekend en de terugvordering verrekend. Na onderzoek bleek verzoeker niet over aflossingscapaciteit te beschikken, waarna de verrekening werd stopgezet. Verzoeker maakte bezwaar tegen de besluiten uit 2009, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Zowel rechtbank als Raad bevestigden deze beslissing.

Verzoeker stelde in het herzieningsverzoek dat onterecht te veel nadruk was gelegd op de termijnoverschrijding en dat hij recht heeft op de bedragen die ten onrechte verrekend zijn, inclusief wettelijke rente en proceskostenvergoeding. De Raad overwoog dat herziening alleen mogelijk is op basis van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

De Raad concludeerde dat verzoeker geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid heeft aangevoerd die aan deze criteria voldoet. Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid.

Uitspraak

19.3369 ANW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 april 2019, 17/7875 ANW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 17 december 2020
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft op 5 juni 2019 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van
4 april 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1212).
De Svb heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door [naam], maatschappelijk werker. De Svb heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Voor de feiten in deze zaak wordt verwezen naar de uitspraak van 4 april 2019. Voor dit geding is van belang dat de Svb in 2009 de nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) van verzoeker heeft ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering heeft teruggevorderd. In 2010 is de nabestaandenuitkering weer toegekend en is de terugvordering hiermee verrekend. Na een onderzoek naar de aflossingscapaciteit is de verrekening niet langer toegepast. Tegen de besluiten uit 2009 heeft verzoeker op 13 februari 2017 bezwaar gemaakt. In een besluit van 24 maart 2017 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard en de Raad heeft deze aangevallen uitspraak bevestigd.
2. In zijn verzoek om herziening op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzoeker aangevoerd dat teveel nadruk is gelegd op de vraag of hij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Uit het onderzoek naar zijn aflossingscapaciteit is destijds na vier maanden gebleken dat hij niet over aflossingscapaciteit beschikt. Toch is deze vier maanden de verrekening met zijn nabestaandenuitkering wel doorgevoerd. Hij stelt nu recht te hebben op deze verrekende bedragen, met wettelijke rente, en vergoeding van proceskosten.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat geen feiten en omstandigheden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2020.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) B.H.B. Verheul