ECLI:NL:CRVB:2019:1212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij intrekking nabestaandenuitkering
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) uit 2009 waarin zijn nabestaandenuitkering werd ingetrokken en een terugvordering werd vastgesteld. Hij stelde dat hij door zijn detentie niet tijdig bezwaar kon maken. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verantwoordelijk was voor het tijdig kennisnemen van zijn post, ook tijdens detentie. In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De detentie werd niet als verschoonbare reden erkend, mede omdat appellant een postbus had en contact had met de Svb over de besluiten.
De Raad bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat het beroep niet slaagt. De inhoudelijke beoordeling van de hoogte van de betalingscapaciteit werd niet meer behandeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.