ECLI:NL:CRVB:2020:3274

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
18/5046 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet WIAZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering

Appellant ontving een loongerelateerde WIA-uitkering vanaf november 2010 met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na diverse wijzigingen in zijn arbeidsituatie en uitkeringen, stelde het UWV bij besluit van 31 juli 2014 de hoogte van de WIA-uitkering vast, waartegen appellant bezwaar maakte. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

Appellant stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het bestreden besluit was achterhaald door een nieuw besluit van het UWV uit februari 2016 en er geen procesbelang bestond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij werd gekrenkt door de gang van zaken, waaronder vermeende fouten van het UWV en onterechte verlaging van zijn uitkering.

De Raad oordeelde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het latere besluit het eerdere heeft vervangen en appellant geen procesbelang heeft aangetoond. Ook de overige aangevoerde klachten konden tot geen ander oordeel leiden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

18.5046 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 3 september 2018, 17/4867 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020 door middel van beeldbellen. Appellant heeft niet deelgenomen aan deze zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 15 november 2010 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100% en het dagloon op € 53,97. Vanaf 13 juli 2011 was appellant werkzaam als IT service-manager in dienst van [bedrijfsnaam]. Op 25 april 2012 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 13 juli 2012 heeft appellant aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen die werd verrekend met de WIA-uitkering. De loongerelateerde WGA-uitkering is vanaf 15 april 2013 omgezet in een loonaanvullende WGA-uitkering. Bij besluit van 27 maart 2014 is appellant meegedeeld dat na 104 weken de ZW-uitkering (met ingang van 23 april 2014) eindigt.
1.2.
Nadat de inkomsten van appellant zijn gewijzigd door de beëindiging van de ZW‑uitkering heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2014 de WIA-uitkering vastgesteld op bruto € 798,04 per maand exclusief vakantiegeld. Appellant heeft op 30 april 2014 digitaal bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar van appellant tegen de hoogte van de WIA‑uitkering heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3.
Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het Uwv het dagloon met ingang van 23 april 2014 verhoogd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 23 april 2014 vastgesteld op 79,88%. Appellant heeft recht op een aanvullende loongerelateerde WGA‑uitkering van 23 april 2014 tot 23 januari 2017. Na verrekening van een toeslag heeft het Uwv een bedrag van bruto € 23.135,21 aan appellant nabetaald en is wettelijke rente vergoed tot een bedrag van € 463,18. Voor de hoger beroepen van appellant in verband met deze besluitvorming wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad met de procedurenummers 18/904 WIA en 18/6498 BESLU en met eenzelfde datum als deze uitspraak.
2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit van 31 juli 2014 op 1 november 2017 digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tijdig geacht. Het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank niettemin niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is achterhaald door het besluit van het Uwv van 26 februari 2016 en er een dwangsom is toegekend. In wat appellant overigens heeft aangevoerd is volgens de rechtbank ook geen procesbelang gelegen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij is gekrenkt door de gang van zaken. Het Uwv heeft hem verkeerde brieven gestuurd, heeft nagelaten om hem medisch te beoordelen in 2014, heeft hem ten onrechte niet gehoord en houdt zich niet aan de wettelijke termijnen. Het Uwv heeft zijn WIA-uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht verlaagd per 23 april 2014.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad begrijpt uit de gronden van het hoger beroep dat in geschil is of de rechtbank het beroep van appellant door het ontbreken van procesbelang terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.2.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het bestreden besluit is achterhaald door het besluit van 23 februari 2016. Appellant heeft geen gronden ingediend waaruit blijkt dat er sprake is van procesbelang. Aan appellant is door het Uwv tot 1 maart 2018 een WIA‑uitkering betaald ter grootte van 70% van het maandloon, het percentage dat wordt uitgekeerd bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De stelling van appellant dat het Uwv zijn WIA-uitkering met terugwerkende kracht heeft verlaagd is dan ook onjuist. Ook is reeds de maximale dwangsom toegekend. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat er geen procesbelang bestaat en heeft het beroep terecht niet‑ontvankelijk verklaard. Wat daarnaast door appellant is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van D. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D. Barthel