ECLI:NL:CRVB:2020:3282
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsuitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant diende een aanvraag in voor een faillissementsuitkering en een WW-uitkering na het faillissement van de BV waarin hij betrokken was. Het UWV verleende voorschotten en een WW-uitkering, maar startte een onderzoek nadat een melding werd ontvangen over de aard van de arbeidsrelatie.
Het onderzoek concludeerde dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Het UWV trok daarop de uitkeringen in en vorderde verstrekte voorschotten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de relatie tussen appellant en de BV zakelijk en gelijkwaardig was, zonder aanwijzingen voor gezag.
In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat de curator hem niet langer als bestuurder beschouwde en dat het UWV zich baseerde op niet in het dossier aanwezige gespreksverslagen. De Raad bevestigde echter de eerdere uitspraak, oordeelde dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangevoerd om het oordeel over het ontbreken van een dienstbetrekking te weerleggen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen privaatrechtelijke dienstbetrekking en aanvraag faillissementsuitkering terecht afgewezen.