ECLI:NL:CRVB:2020:3283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WIA-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante stelde een dienstverband te hebben gehad bij een eenmanszaak van haar ex-partner en ontving daarop WIA-uitkeringen. Het UWV onderzocht echter op basis van een interne melding de rechtmatigheid van de uitkeringen en concludeerde dat het dienstverband gefingeerd was.
Het UWV schortte de uitkering op en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde tegen het besluit tot beëindiging en terugvordering van de WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk werkzaam was geweest. Tegenstrijdige verklaringen, het ontbreken van erkenning door vermeende werkgevers en ongerijmdheden in loonbetalingen ondersteunden dit oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de WIA-uitkering wegens gefingeerd dienstverband bevestigd.