ECLI:NL:CRVB:2020:3291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit volgens Wet WIA
Appellant, voormalig draaier/freezer, ontving sinds 2010 diverse uitkeringen waaronder WW, Ziektewet en WGA-uitkeringen vanwege rug- en psychische klachten. Na een herbeoordeling op 13 maart 2017 werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45,54%, later bij bezwaar verhoogd naar 71,5% met een resterende verdiencapaciteit van €1.118,82.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische informatie die appellant overlegde geen aanleiding gaf tot twijfel aan de beoordeling. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat hij niet persoonlijk was onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat zijn arbeidsongeschiktheid hoger was.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat telefonisch contact en beoordeling van medische stukken voldoende zijn voor een zorgvuldig onderzoek. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functionele mogelijkheden juist waren vastgesteld en dat de medische verklaringen van appellant betrekking hadden op een later tijdstip dan de beoordelingsdatum, waardoor deze niet relevant waren voor de vaststelling.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 71,5% arbeidsongeschiktheid en een resterende verdiencapaciteit van €1.118,82 per 13 maart 2017.