ECLI:NL:CRVB:2020:3314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- E.J.J.M. Weyers
- J.T.H. Zimmerman
- S.B. Smit-Colenbrander
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen en leeftijdscohort-beoordeling
Appellant, met een verstandelijke beperking, ontving sinds 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in 2015 werd voortgezet onder de Wajong 2015. Na een arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant arbeidsvermogen heeft, waardoor zijn uitkering per 1 januari 2018 werd verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en dat arbeid onder beschutte omstandigheden als arbeidsvermogen geldt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht en dat hij geen arbeidsvermogen bezit, verwijzend naar eerdere beoordelingen uit 1994 en 2007. Ook stelde hij dat de herindeling van Wajong-uitkeringen een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd maakt, omdat oudere Wajongers anders worden beoordeeld dan jongere. Het UWV verdedigde de aangepaste werkwijze voor het cohort 50 jaar en ouder als gerechtvaardigd en proportioneel.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat recente medische stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant. De leeftijdscohort-werkwijze van het UWV werd niet in strijd bevonden met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 1 Grondwet Pro, omdat er een objectieve rechtvaardiging en proportionaliteit bestaat. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering van appellant wordt bevestigd omdat hij arbeidsvermogen heeft en de leeftijdscohort-werkwijze van het UWV niet discriminerend is.