ECLI:NL:CRVB:2020:3317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker en meldde zich ziek in 2013 met nek-, rug- en schouderklachten na een bedrijfsongeval. Na een periode van loongerelateerde WGA-uitkering werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 36%, later verhoogd naar 45,51%. Na een melding van verslechtering in 2017 concludeerde een verzekeringsarts dat de beperkingen onveranderd waren, en stelde een FML op met een arbeidsongeschiktheid van 3,62%. Het UWV beëindigde daarop de WIA-uitkering per 4 juli 2017.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij nieuwe medische informatie werd ingebracht over fysieke en psychische klachten, waaronder hartproblemen en depressieve stoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef echter de eerdere conclusies en de arbeidsdeskundige stelde de arbeidsongeschiktheid op 21,45% vast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor de vermeende toegenomen beperkingen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, dat de FML van 13 april 2017 adequaat rekening hield met de objectiveerbare beperkingen, en dat appellant niet voldeed aan de criteria voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Ook de bezwaren over taalbeheersing faalden, aangezien de geselecteerde functies eenvoudig van aard zijn en geen grote taalvaardigheid vereisen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.