ECLI:NL:CRVB:2020:3319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- J.P.M. Zeijen
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en faillissementsuitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante ontving WW- en faillissementsuitkeringen over de periode juni 2013 tot augustus 2015, ontleend aan een vermeend dienstverband met [naam werkgever]. Het UWV voerde onderzoek uit en concludeerde dat geen sprake was van een dienstbetrekking, onder meer vanwege een vals geachte arbeidsovereenkomst en tegenstrijdige verklaringen over werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante niet als werknemer verzekerd was. Appellante voerde in hoger beroep uiteenlopende werkzaamheden aan en legde verklaringen van derden over, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV met het onderzoeksrapport en verklaringen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen dienstbetrekking bestond. De raad bevestigt de intrekking en terugvordering van de uitkeringen en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en faillissementsuitkeringen worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.