Uitspraak
18.5260 TW
OVERWEGINGEN
.
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2004 een toeslag op grond van de Toeslagenwet voor ongehuwd/alleenstaanden. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 1990 samenwoonde met een partner, wat niet was gemeld, en trok de toeslag per 1 januari 2006 in. Tevens werd de onverschuldigd betaalde toeslag van ruim €22.000 teruggevorderd en een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd benadrukt dat de situatie van gemeentelijke schuldhulpverlening niet vergelijkbaar is met de WSNP en dat de toeslag terecht was ingetrokken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet bewust de inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV rekening had moeten houden met haar schuldhulpverleningstraject.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante terecht niet heeft gemeld dat zij samenwoonde en dat het UWV terecht de toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd. De Raad onderschrijft de eerdere beoordeling dat de schuldhulpverlening niet vergelijkbaar is met de WSNP en wijst de stelling van appellante af dat rekening had moeten worden gehouden met de afronding daarvan. De boete van €600 wordt als evenredig beschouwd. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de toeslag en de boete van €600 worden bevestigd; het hoger beroep wordt afgewezen.