ECLI:NL:CRVB:2020:3329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling beperkingen appellant
Appellant was administratief medewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten na een motorongeval. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar stelde later vast dat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zwaarder beperkt is dan het UWV aannam en vroeg om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen zowel psychisch als lichamelijk voldoende heeft meegenomen en dat de medische situatie op de datum in geding goed was vastgesteld met objectieve gegevens.
De Raad verwierp het verzoek om een onafhankelijke deskundige vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling van het UWV. Ook werd bevestigd dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt hiermee bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.