ECLI:NL:CRVB:2020:3330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval volgens artikel 35 WW
Appellant, voormalig schoonmaker, werd op staande voet ontslagen wegens het ontbreken van een rechtmatig verblijf in Nederland. Pas jaren later, op 7 februari 2018, diende hij een aanvraag in voor een WW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 11 februari 2013. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat appellant niet in voldoende weken had gewerkt in de periode voorafgaand aan werkloosheid.
Appellant stelde dat hij vanwege zijn illegale verblijfsstatus destijds geen tijdige aanvraag kon indienen en dat hij met terugwerkende kracht een legale verblijfsstatus had verkregen, waardoor hij aanspraak zou moeten maken op een WW-uitkering vanaf 2013. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat appellant niet voldeed aan de strenge criteria voor een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35 van Pro de WW.
De Raad benadrukte dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief wordt uitgelegd en dat appellant de bewijslast draagt. Omdat appellant pas ruim een jaar na het verkrijgen van een tijdelijke verblijfsvergunning een aanvraag indiende en deze vergunning bovendien was verlopen, kon niet worden vastgesteld dat sprake was van een bijzonder geval. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een WW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een bijzonder geval volgens artikel 35 van de WW.