ECLI:NL:CRVB:2019:972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering wegens niet tijdige aanvraag zonder bijzonder geval
Appellante ontving een WAO-uitkering die per 23 november 2004 werd ingetrokken, maar deze werd doorbetaald tot en met 30 september 2016. Het UWV vorderde het bedrag van de onverschuldigde uitkering terug en weigerde een WW-uitkering omdat de aanvraag niet binnen 26 weken na de intrekking was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de termijdbepaling rechtvaardigde. Appellante stelde in hoger beroep dat zij pas na het overlijden van haar echtgenoot in 2015 van het besluit op de hoogte was geraakt, maar dit werd niet als bijzonder geval erkend.
De Raad oordeelde dat appellante de bewijslast voor een bijzonder geval niet heeft voldaan. Getuigenverklaringen toonden aan dat appellante en haar partner al in 2004 wisten dat de WAO-uitkering onverschuldigd werd betaald en bewust besloten dit bedrag te behouden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht geweigerd omdat appellante niet binnen 26 weken na 23 november 2004 haar aanvraag indiende en er geen sprake is van een bijzonder geval.