Appellanten ontvingen tussen 2000 en 2009 algemene bijstand en tussen 2004 en 2015 bijzondere bijstand. Het college ontdekte via een rapport van de Sociale verzekeringsbank dat appellanten onroerend goed in Turkije bezaten dat niet was gemeld, wat leidde tot intrekking en terugvordering van de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde het college het besluit deels bij, omdat het niet bevoegd was tot intrekking van algemene bijstand vanaf de pensioengerechtigde leeftijd van appellant (21 januari 2000). De Raad vernietigde het besluit voor die periode en bevestigde de terugvordering voor de periode tot die datum en voor de bijzondere bijstand.
Appellanten voerden aan dat het onderzoek discriminatoir was en het bewijs onrechtmatig verkregen, maar de Raad oordeelde dat dit niet het geval was. Ook waren er geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.