ECLI:NL:CRVB:2020:3371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering nabestaandenuitkering wegens ontbreken nauwe exclusieve opvoedingsrelatie met pleegkind
Betrokkene vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van haar echtgenoot, die kinderbijslag ontving voor [A.], een kleindochter die volgens de Regeling gelijkstelling pleegkinderen als pleegkind werd beschouwd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de uitkering af omdat betrokkene niet voldeed aan de voorwaarden van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
De rechtbank oordeelde dat de Regeling ook op de ANW van toepassing was en kende de uitkering toe. De Svb ging in hoger beroep en stelde dat de Regeling niet geldt voor de ANW en dat er geen sprake was van een pleegkind in de zin van de ANW.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de Regeling alleen ziet op de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en niet op de ANW. Daarnaast was er onvoldoende bewijs voor een nauwe exclusieve opvoedingsrelatie tussen betrokkene en [A.], mede omdat het juridische gezag bij de moeder lag. Daarom werd het beroep van betrokkene ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de nabestaandenuitkering wordt geweigerd wegens het ontbreken van een nauwe exclusieve opvoedingsrelatie met het pleegkind.