Appellante vroeg bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor de jaren 2016 en 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam kende lagere bedragen toe dan appellante vorderde en verklaarde haar bezwaren ongegrond. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en wees schadevergoedingen af.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het college ten onrechte geen hoorzitting hield bij het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2016, dat de maandelijkse bijdragen aan de VvE ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten bij de berekening van de toeslag, en dat het beleid en de toepassing daarvan in strijd waren met nationale en internationale rechtsregels.
De Raad oordeelde dat het college onterecht afzag van een hoorzitting omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat appellante in beroep en hoger beroep haar standpunten heeft kunnen toelichten. De maandelijkse VvE-bijdragen werden terecht niet als reservering voor groot onderhoud meegeteld, omdat de VvE geen reservering had. Ook werden de overige aangevoerde rechtsgronden verworpen. De aangevallen uitspraken werden bevestigd, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.