ECLI:NL:CRVB:2020:964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag eenmalige uitkering op grond van Uitkeringsregeling Backpay
Appellant, erfgenaam van zijn grootvader die tijdens de Japanse bezetting als militair bij het KNIL werkte, vroeg een eenmalige uitkering aan op grond van de Uitkeringsregeling Backpay. Deze regeling beoogt een tegemoetkoming voor niet of onvolledig uitbetaalde salarissen in die periode, maar is buitenwettelijk begunstigend beleid zonder wettelijke grondslag.
De minister wees de aanvraag af omdat de grootvader van appellant niet meer in leven was op de peildatum 15 augustus 2015, een voorwaarde voor toekenning. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de rechter slechts beperkt kan toetsen of het beleid consistent is toegepast, niet of het beleid zelf redelijk is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de peildatum discriminerend is en strijdig met het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden. De Raad verwierp deze bezwaren, bevestigde de beperkte toetsingsruimte bij buitenwettelijk beleid, en oordeelde dat geen sprake is van schending van fundamentele rechten of het discriminatieverbod.
De Raad wees ook het verzoek af om prejudiciële vragen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor te leggen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag omdat de belanghebbende niet op de peildatum in leven was.