ECLI:NL:CRVB:2020:3414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens schending inlichtingenverplichting ondanks mensenhandel
Appellante ontving bijstand sinds 2014 en verrichtte sinds februari 2017 erotische werkzaamheden zonder dit te melden aan het college. Na onderzoek en gesprekken besloot het college in februari 2018 de bijstand over de periode 1 februari tot 29 juli 2017 in te trekken en terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd een bestuurlijke boete van €175 opgelegd.
Appellante stelde dat zij slachtoffer was van mensenhandel en daardoor niet kon voldoen aan de inlichtingenverplichting. Zij voerde aan dat zij onder dwang werkte en een deel van haar inkomsten moest afstaan. De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting objectief is en verwijtbaarheid niet relevant is voor intrekking en terugvordering. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij recht had op bijstand over de periode.
Voor de boete geldt dat verwijtbaarheid wel vereist is. De Raad vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar schending van de inlichtingenverplichting niet aan haar kon worden toegerekend. De boete werd vastgesteld op basis van een laag bedrag aan inkomsten en was daarmee proportioneel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd.