Uitspraak
24 juli 2020, 19/2862 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Raad informeerde appellant dat hij niet voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht en wees het beroep daarop af. Vervolgens trok appellant het hoger beroep bevoegdelijk en zonder enig voorbehoud in. De Raad bevestigde deze intrekking.
Appellant verzocht later om het hoger beroep alsnog voort te zetten vanwege gebrek aan geld. De Raad oordeelde dat intrekking van hoger beroep na afloop van de beroepstermijn niet ongedaan kan worden gemaakt, tenzij sprake is van onbevoegdheid of wilsgebrek zoals dwang, dwaling of bedrog. Dit was niet het geval.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door A.M. Overbeeke, in aanwezigheid van griffier N. Khachatryan.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens bevoegdelijke intrekking zonder wilsgebrek.