ECLI:NL:CRVB:2016:517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens geldige intrekking
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, dat een boete had opgelegd die was verlaagd naar € 2.900,-. Vervolgens nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar. Appellant gaf bij brief aan akkoord te gaan met deze nieuwe beslissing en trok het hoger beroep in. Later wilde appellant deze intrekking ongedaan maken en het hoger beroep alsnog voortzetten.
De Raad heeft onderzocht of de intrekking van het hoger beroep ongedaan gemaakt kon worden op grond van een wilsgebrek, zoals dwaling. Appellant stelde dat hij de beslissing niet goed had gelezen en dacht dat hij het hoger beroep moest intrekken om de boete te halveren, en dat er sprake was van dwaling. Het UWV betwistte dit en leverde een rapport van een verzekeringsarts.
De Raad oordeelde dat appellant zonder voorbehoud het hoger beroep had ingetrokken en akkoord was gegaan met de nieuwe beslissing. De intrekking kan niet ongedaan worden gemaakt, omdat er geen sprake is van een wilsgebrek. Appellant had juiste informatie ontvangen en zelf een verkeerde conclusie getrokken. Ook was er geen aanwijzing dat appellant ten tijde van de intrekking geestelijk niet in staat was zijn wil te bepalen. Het beroep op dwaling werd daarom verworpen en het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens rechtsgeldige intrekking die niet ongedaan kan worden gemaakt.