Uitspraak
18.4654 WSF
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf september 2016 studiefinanciering inclusief een aanvullende beurs. Zij verzocht om loskoppeling van het inkomen van haar vader vanwege een ernstig conflict, waarna de minister vanaf 1 januari 2017 geen rekening meer hield met het ouderlijk inkomen, maar wel met de vastgestelde alimentatie.
De minister verlaagde de aanvullende beurs met het vastgestelde alimentatiebedrag, ondanks dat appellante feitelijk minder alimentatie ontving. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat de regeling uitgaat van het vastgestelde alimentatiebedrag en niet van de feitelijke inning, tenzij de alimentatie volledig oninbaar is.
Appellante voerde aan dat zij slechts ongeveer 25% van de alimentatie ontving en dat haar vader bewust een lager bedrag liet innen om haar aanvullende beurs te verlagen. Zij stelde dat toepassing van de hardheidsclausule op zijn plaats was.
De Raad oordeelde dat de rechtbank de gronden voldoende heeft gemotiveerd en dat de regeling en eerdere jurisprudentie het standpunt van de minister ondersteunen. De intenties van de vader geven geen aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het vastgestelde alimentatiebedrag meetelt voor de aanvullende beurs.