ECLI:NL:CRVB:2017:2818
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek om alimentatie niet in mindering te brengen bij aanvullende beurs
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister waarbij haar verzoek werd afgewezen om de vastgestelde alimentatie niet of niet geheel in mindering te brengen bij de vaststelling van de aanvullende beurs. Zij stelde dat de alimentatie oninbaar is omdat de betalingen die zij ontving betrekking hadden op achterstallige alimentatie en niet op het betreffende jaar. Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule omdat haar vader door derdenbeslag niet betaalde.
De Raad oordeelt dat de systematiek van het Besluit studiefinanciering 2000 uitgaat van de vastgestelde alimentatie en niet van de feitelijk ontvangen bedragen, tenzij uit een verklaring blijkt dat de alimentatie volledig oninbaar is gedurende ten minste een jaar. Partieel oninbare alimentatie leidt niet tot een afwijking van deze systematiek. De stelling van appellante dat de alimentatie volledig oninbaar zou zijn, wordt verworpen.
De hardheidsclausule biedt geen ruimte voor een uitzondering zolang de regeling in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Omdat er sprake is van gedeeltelijke inning van alimentatie, kan de vastgestelde alimentatie worden geïnd, ook al met vertraging. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit om alimentatie in mindering te brengen op de aanvullende beurs wordt bevestigd.