ECLI:NL:CRVB:2020:3486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 74,37% door UWV
Appellante, laatst werkzaam als begeleidster van verstandelijk gehandicapten, is sinds 2008 ziek gemeld met psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 2010 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, later herzien tot 35-80% en uiteindelijk vastgesteld op 74,37%. Na een bezwaarprocedure stelde het UWV vast dat er geen aanleiding was om de mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot twijfel over de vastgestelde beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met haar minimale functioneren en afhankelijkheid in het dagelijks leven.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de verzekeringsartsen het psychiatrische ziektebeeld hebben onderkend, maar dat de medische informatie geen aanwijzingen geeft voor een verslechtering die leidt tot volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad benadrukt dat het aan appellante is om met medische gegevens twijfel te zaaien over de juistheid van de vastgestelde beperkingen, hetgeen niet is gebeurd.
De Raad wijst het verzoek af om een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 74,37% en verklaart het hoger beroep ongegrond.