ECLI:NL:CRVB:2020:3493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering ten onrechte beëindigd wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, laatst werkzaam als verkoopster, kreeg een WGA-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per 15 september 2015, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij ernstige beperkingen heeft die werken onmogelijk maken.
De Raad benoemde meerdere deskundigen, waaronder een revalidatiearts en een psychiater. De psychiater concludeerde dat appellante vanwege persoonlijkheidsproblematiek op de datum in geding niet in staat was om te werken zonder decompensatie te riskeren. Het UWV betwistte dit, maar de Raad volgde het gemotiveerde oordeel van de psychiater.
De Raad vernietigde het besluit van het UWV en herstelde de uitkering. Tevens werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De WIA-uitkering van appellante wordt hersteld en de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.