Appellante, werkzaam als kraamhulp, meldde zich in 2010 ziek met psychische klachten en ontving sindsdien een WIA-uitkering. In 2016 gaf zij aan dat haar gezondheid was verslechterd. Het UWV handhaafde een WGA-uitkering omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht, mede op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat er behandelmogelijkheden waren die onvoldoende werden benut en dat de arbeidsongeschiktheid daarom niet duurzaam was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij therapietrouw was en dat revalidatiecentra geen passende zorg konden bieden.
De Raad beoordeelde of de arbeidsongeschiktheid duurzaam was in de zin van de Wet WIA. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had onvoldoende gemotiveerd dat verbetering van belastbaarheid te verwachten was. De Raad oordeelde dat het UWV-besluit niet in stand kon blijven wegens strijd met het motiveringsbeginsel en bepaalde zelf dat appellante vanaf 19 april 2016 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.