ECLI:NL:CRVB:2020:385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering en boete wegens niet-thuiswonende status
Appellant ontving studiefinanciering op basis van uitwonende status vanaf 1 december 2014. Na een huisbezoek op het geregistreerde adres concludeerde de minister dat appellant feitelijk niet daar woonde, waardoor de studiefinanciering werd herzien en een bedrag van €6.057,84 werd teruggevorderd. Tevens werd een bestuurlijke boete van €1.179,66 opgelegd wegens het niet voldoen aan de bewoningsvoorwaarde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de minister met het huisbezoek en het rapport voldoende bewijs leverde dat appellant niet op het adres verbleef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was omdat hij niet aanwezig mocht zijn bij het huisbezoek en dat de minister de bewijslast niet had voldaan, onderbouwd met medische gegevens en getuigenverklaringen.
De Raad oordeelt dat de minister de bewijslast heeft voldaan en dat de bevindingen van het huisbezoek overtuigend zijn. De aanwezigheid van persoonlijke spullen van de zoon van de hoofdbewoners en het ontbreken van persoonlijke zaken van appellant op het adres ondersteunen dit. De getuigenverklaringen van appellant wegen onvoldoende om het wettelijk vermoeden te weerleggen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van studiefinanciering en boeteoplegging bevestigd.