ECLI:NL:CRVB:2020:393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd, die geweigerd werd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende medische motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat de geselecteerde functies passend waren en appellant geen recht had op uitkering.
In hoger beroep betoogde appellant dat de geselecteerde functies niet passend waren vanwege onvoldoende verlichting en vermoeidheid, en dat een algemene urenbeperking in de FML moest worden opgenomen. De Raad oordeelde dat de gewijzigde FML van 28 februari 2017 een juiste vertaalslag was van de medische rapporten en dat de beperkingen niet verder aangescherpt hoefden te worden.
De arbeidsdeskundige wijzigde de motivering en sloot de functie van telefonist/receptionist uit, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage op 23,52% bleef. De overige functies werden als passend beoordeeld, mede op basis van overleg tussen arbeidsdeskundige en verzekeringsarts. De Raad zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant wegens gewijzigde motivering in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid 23,52% bedraagt, onder de vereiste 35%.