ECLI:NL:CRVB:2020:411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Berekening WIA-dagloon bij Spaanse vrijwillige verzekering niet op fictief inkomen gebaseerd
Appellante, met Spaanse nationaliteit, werkte van 1975 tot 1980 in Nederland en keerde daarna terug naar Spanje, waar zij zich vrijwillig verzekerde tegen arbeidsongeschiktheid op basis van het Spaanse minimumloon als premiegrondslag. Vanaf maart 2012 werd zij volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontving een Spaanse uitkering. Het Uwv stelde het WIA-dagloon nihil vast omdat appellante in het refertejaar geen inkomen had genoten.
Appellante voerde aan dat het fictieve inkomen van haar Spaanse vrijwillige verzekering gelijkgesteld moest worden aan inkomen uit arbeid in Nederland op grond van Verordening (EG) 883/2004, en dat haar WIA-dagloon daarop gebaseerd moest worden. Het Uwv en de rechtbank verwierpen dit, stellende dat de Wet WIA uitkering alleen verleent bij daadwerkelijke inkomensderving en dat de vrijwillige Spaanse verzekering niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlandse WIA-verzekering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, overwegende dat Vo 883/2004 coördinatie biedt maar geen harmonisatie en dat het Nederlandse uitgangspunt van daadwerkelijke inkomensderving voor WIA-uitkeringen geldt voor alle verzekerden, ongeacht nationaliteit. De Raad oordeelde dat het dagloon terecht nihil is vastgesteld en dat appellante geen aanspraak heeft op een WIA-uitkering gebaseerd op het fictieve Spaanse inkomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WIA-dagloon nihil is vastgesteld omdat appellante geen inkomen had in het refertejaar, ondanks haar Spaanse vrijwillige verzekering.