ECLI:NL:CRVB:2020:443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere omstandigheden bij terugwerkende bijstandsverlening
Appellant keerde op 29 januari 2016 terug naar Nederland en vroeg bijstand aan op 8 maart 2016. Het college kende bijstand toe met ingang van 25 april 2016, nadat eerdere aanvragen niet ontvankelijk waren verklaard of buiten behandeling waren gesteld. Appellant stelde dat bijzondere omstandigheden, waaronder psychische problemen, een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door zijn psychische klachten of andere omstandigheden niet in staat was zich eerder te melden. De door appellant overgelegde stukken, waaronder een brief van de huisarts, toonden wel depressie aan maar niet dat hij zijn belangen niet kon behartigen. Verder was er geen bewijs van eerdere meldingen bij het college.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarbij het beroep ongegrond werd verklaard. Er was geen grond voor het inschakelen van een psychiater en geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstand blijft 25 april 2016.