ECLI:NL:CRVB:2023:140

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
24 januari 2023
Zaaknummer
21/1729 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, waarbij het college aanvankelijk de aanvraag niet in behandeling nam wegens onvoldoende gegevens. Later werd bijstand toegekend met ingang van 21 mei 2020. Appellante vorderde een eerdere ingangsdatum van 17 april 2020 vanwege psychische klachten als gevolg van structurele mishandeling door haar ex-partner.

De rechtbank wees het beroep af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid vormt voor terugwerkende kracht. Appellante had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar psychische klachten haar verhinderden om eerder een aanvraag in te dienen, mede omdat zij op 22 april 2020 wel een aanvraag had ingediend.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.

Uitspraak

21.1729 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 april 2021, 20/6266 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 24 januari 2023
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Süzen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het college heeft verklaard niet gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord en appellante heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard daarvan gebruik te willen maken. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 22 april 2020 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Participatiewet. Bij besluit van 4 mei 2020 heeft het college de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat appellante onvoldoende gegevens had verstrekt om de aanvraag te kunnen beoordelen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 21 mei 2020 heeft appellante opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Appellante heeft op het aanvraagformulier vermeld dat haar relatie met ingang van 15 april 2020 is verbroken.
1.3.
Bij besluit van 2 juni 2020 (besluit 1) heeft het college aan appellante met ingang van 21 mei 2020 bijstand in de vorm van een lening toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.4.
Bij besluit van 13 oktober 2020 (besluit 2) heeft het college bijstand met ingang van 21 mei 2020 omgezet naar bijstand om niet.
1.5.
Bij besluit van 26 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 gegrond verklaard voor zover het de vorm van de bijstand betreft en het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij voor verweerder het college en voor eiseres appellante moet worden gelezen.
“5. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 25 februari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:443) en van 9 juni 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1242) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
6. Het is aan eiseres als aanvrager om het bestaan van dergelijke bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken. Aangenomen kan worden dat eiseres een moeilijke periode heeft doorgemaakt. Hetgeen zij aanvoert leidt echter niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van psychische klachten niet in staat was om eerder een aanvraag om bijstand in te dienen. Er is geen concrete en verifieerbare (medische) informatie ingebracht om dit nader te onderbouwen, terwijl uit het dossier blijkt dat eiseres op 22 april 2020 kennelijk wel in staat is geweest om een aanvraag in te dienen. Dat eiseres, naar zij stelt, sinds 17 april 2020 alle lasten zelf diende te dragen kan niet tot een ander oordeel leiden. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 november 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2835), is het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in beroep heeft zij aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden en dat de bijstand met ingang van 17 april 2020 toegekend had moeten worden. Appellante is tijdens haar huwelijk structureel mishandeld door haar ex-partner. Nadat haar ex-partner de woning op 17 april 2020, heeft verlaten, heeft appellante alle kosten zelf moeten dragen. De structurele mishandeling heeft diepe sporen achtergelaten voor haar zelfvertrouwen zodat zij niet in staat was om haar belangen te behartigen. Om die reden heeft zij zich niet eerder kunnen wenden tot het college voor bijstand. Haar psychische klachten als gevolg van het huiselijk geweld zijn volgens appellante voldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden welke een eerder ingangsdatum rechtvaardigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2023.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M. Zwart