Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Delft inzake een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Zij stelde dat de toegekende begeleiding niet aansloot bij haar reële behoefte en dat de hulpvraag onjuist was vastgesteld.
De Raad stelde vast dat het college de hulpvraag van appellante onjuist had geïnventariseerd, waardoor de specifieke ondersteuningsbehoefte niet correct was vastgesteld. Hierdoor was ook niet duidelijk welke maatwerkvoorziening passend was. Het college had onvoldoende eigen verantwoordelijkheid genomen bij het vergaren van relevante informatie.
Gezien de langdurige procedure, het belang van appellante en het feit dat eerdere herstelpogingen niet tot een juiste beslissing hadden geleid, besloot de Raad zelf in de zaak te voorzien. Er werd een tegemoetkoming meerkosten toegekend van € 500 per maand voor de periode van 1 februari 2020 tot en met 11 mei 2020.
Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed. Het besluit van 13 februari 2019 werd vernietigd, met uitzondering van de vergoeding van kosten in bezwaar, en het besluit van 20 oktober 2015 werd herroepen.