ECLI:NL:CRVB:2020:473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen intrekking Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid
Appellant, voormalig callcentermedewerker, meldde zich ziek met klachten aan handen en vingers en ontving aanvankelijk een WW-uitkering, gevolgd door een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per 13 maart 2017 arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk en trok de uitkering in. Appellant voerde aan dat zijn autismespectrumstoornis en beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat het werk bij een soortgelijke werkgever ook commerciële verkoop omvatte, wat hij niet kon verrichten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en dat de beoordeling van de artsen voldoende gemotiveerd en consistent was. In hoger beroep voerde appellant aanvullende medische rapporten aan, maar het UWV weerlegde deze met een rapport van een verzekeringsarts die stelde dat appellant zijn werk kon verrichten ondanks de aandoening.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatst verrichte arbeid wordt verstaan en dat bij vangnetters bijzondere verlichtende omstandigheden niet buiten beschouwing worden gelaten. De Raad vond dat het UWV terecht geen rekening hield met de verlichtende omstandigheden zoals aangepaste werkzaamheden en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot intrekking van de Ziektewetuitkering bevestigd.