ECLI:NL:CRVB:2020:486
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wlz-zorg op grond van ontbreken verstandelijke handicap
Appellant vroeg zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) vanwege een vermeende verstandelijke handicap. Het CIZ wees de aanvraag af omdat uit diverse intelligentietesten en medische adviezen bleek dat appellant niet voldeed aan de beleidsregels voor een verstandelijke handicap. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen wel voortkomen uit een verstandelijke handicap en dat de rechtbank ten onrechte een IQ-score zonder verbale aspecten als maatstaf nam. Ook stelde hij dat een orthopedagoog-generalist onvoldoende werd meegewogen. Het CIZ handhaafde zijn standpunt en overhandigde een aanvullend medisch advies.
De Raad concludeerde dat de uitslagen van de intelligentietesten onvoldoende consistent waren en dat de non-verbale testen een betrouwbaarder beeld gaven, waaruit bleek dat appellant niet aan de normscore tussen 70 en 85 voldeed. Ook ontbrak het aan bewijs dat appellant intensieve ondersteuning nodig heeft vanwege een verstandelijke beperking. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant komt niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wlz wegens het ontbreken van een verstandelijke handicap.