Appellante was productiemedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2016 vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor haar ZW-uitkering werd beëindigd. Appellante voerde aan dat haar psychische klachten, waaronder PTSS en paniekstoornis, en fysieke beperkingen onderschat waren, en dat zij urenbeperkingen behoefde.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die bevestigde dat appellante leed aan een matige depressieve stoornis, paniekstoornis, agorafobie en PTSS, en cognitieve beperkingen had die werkhervatting bemoeilijkten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte echter dat deze beperkingen ernstig genoeg waren om aanvullende beperkingen of urenbeperkingen toe te kennen, verwijzend naar de CBBS-instructies.
De Raad oordeelde dat de deskundige onvoldoende inzichtelijk had gemotiveerd dat er objectief medische noodzaak was voor aanvullende beperkingen in de FML. De verzekeringsarts had overtuigend uiteengezet dat er op de datum in geding geen sprake was van geen benutbare mogelijkheden en geen urenbeperking. De fysieke klachten werden eveneens niet onderschat. De geselecteerde functies bleken medisch geschikt voor appellante.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht meer had op ZW-uitkering vanaf 1 mei 2016. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.