ECLI:NL:CRVB:2020:537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en Ziektewet-uitkering
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich ziek met vermoeidheids- en pijnklachten. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij volgens een eerstejaars beoordeling meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de medische belastbaarheid overtuigend was gemotiveerd.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder het chronisch vermoeidheidssyndroom, en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en inhoudelijk overtuigend was, en dat de combinatie van klachten adequaat was meegenomen.
De Raad benadrukte dat algemene adviezen over ME/CVS onvoldoende zijn om beperkingen aan te nemen zonder individuele beoordeling. De aanvullende medische informatie van appellante betrof een latere datum en was niet relevant voor de datum in geschil. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen en het hoger beroep werd verworpen. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV-besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.