ECLI:NL:CRVB:2020:553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld en WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verpleegkundige, meldde zich ziek met rugklachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na meerdere medische beoordelingen en besluiten van het UWV werd vastgesteld dat zij niet langer recht had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies. Tevens werd een WIA-uitkering geweigerd omdat zij niet 104 weken arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zelfstandige en onderbouwde beoordeling had gegeven. Appellante voerde in hoger beroep voornamelijk herhalingen aan zonder nieuwe medische informatie die twijfel zou kunnen zaaien over de eerdere beoordelingen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat de wachttijd van 104 weken niet was vervuld. Er was geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen. De Raad concludeerde dat de hoger beroepen niet slagen en bevestigde de eerdere uitspraken, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld en WIA-uitkering omdat zij niet 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.