Uitspraak
17.6794 ZW
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering, zodat het hoger beroep ook op dit onderdeel niet kan slagen. De vraag of de WIA-uitkering per 13 september 2012 terecht is beëindigd ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor.
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster ontving sinds 2010 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na beëindiging van deze uitkering in 2012 trad zij in dienst bij verschillende werkgevers, waaronder appellante in 2013. Appellante meldde in 2016 dat werkneemster ziek werd en onder de no-riskpolis viel, omdat zij recht had op een WIA-uitkering vlak voor indiensttreding.
Het UWV weigerde een ZW-uitkering op grond van de no-riskpolis omdat werkneemster bij indiensttreding geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd bevestigd door de rechtbank en aangehouden in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het recht op ziekengeld volgens artikel 29b ZW alleen geldt voor ziekteperioden die zijn aangevangen na vaststelling van het WIA-recht.
Appellante stelde dat het recht op WIA-uitkering herleefde door toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar en dat er sprake was van een slapend recht bij indiensttreding. De Raad verwierp dit en bevestigde dat werkneemster op het moment van indiensttreding geen WIA-recht had, zodat geen aanspraak op de no-riskpolis kan worden gemaakt.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op een WIA-uitkering bij indiensttreding wordt ontkend.