Uitspraak
18.489 AOW
OVERWEGINGEN
16 juli 2014.
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg bij besluit van 25 maart 2014 een AOW-uitkering toegekend van 84% vanwege een niet-verzekerde periode van 1 september 1964 tot 1 januari 1973. Na bezwaar en beroep werd dit besluit gehandhaafd. Appellant verzocht later om herziening op grond van het arrest Gillissen, stellende dat een getuige alsnog gehoord had moeten worden.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd zoals vereist op grond van artikel 4:6 Awb Pro. De getuige was eerder opgeroepen maar niet verschenen, en een schriftelijke verklaring was overgelegd. Er was geen aanleiding tot een hoorzitting, en het verzoek tot herziening werd terecht afgewezen.
De Raad benadrukte dat bij duuraanspraken als de AOW een terughoudende toets geldt voor het verleden, waarbij alleen nieuwe feiten of omstandigheden tot herziening kunnen leiden. Het bestreden besluit was zorgvuldig en de afwijzing niet evident onredelijk. De hoorplicht was niet geschonden en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de AOW-korting wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.