Uitspraak
19 2925 PW
1 juli 2019, 19/669 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet en heeft in juli 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor tandheelkundige kosten, waaronder implantaten en kronen, met een offerte van bijna €6.900.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat de kosten volgens hen vergoed konden worden via de zorgverzekeraar, die als een voorliggende, toereikende en passende voorziening geldt onder de Participatiewet. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de zorgverzekeraar niet voldoende dekking bood, maar de Raad volgde dit niet. Volgens vaste jurisprudentie is de Zorgverzekeringswet in beginsel de voorliggende voorziening voor tandheelkundige kosten, waardoor bijzondere bijstand niet mogelijk is. De door appellant overgelegde offerte en het argument dat hij zelf kosten moet dragen, leiden niet tot een ander oordeel. Ook werden geen zeer dringende redenen aangevoerd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten wordt bevestigd omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en geen zeer dringende redenen zijn aangevoerd.