ECLI:NL:CRVB:2020:620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging loongerelateerde WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante is per 9 juni 2018 in aanmerking gebracht voor een vervolguitkering nadat haar loongerelateerde WIA-uitkering was beëindigd wegens het bereiken van de maximale duur. Het UWV verrichtte een medisch onderzoek op 30 mei 2018 en een arbeidskundig onderzoek op 12 juni 2018. De verzekeringsarts concludeerde dat de medische situatie ongewijzigd was en stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst op die gelijk was aan die van april 2017. De arbeidsdeskundige achtte appellante ongeschikt voor haar maatgevende arbeid, maar geschikt voor passende voorbeeldfuncties, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,18%.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2018, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit eveneens ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat de vastgestelde beperkingen en passende functies terecht waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de ingangsdatum van de vervolguitkering onjuist was en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet vaststond vanwege onderbreking van de wachttijd. Ook stelde zij dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie had opgelegd aan haar ex-werkgever. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die haar beperkingen onderschatten. De Raad zag geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige in te schakelen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de loongerelateerde WIA-uitkering wordt bevestigd.