ECLI:NL:CRVB:2020:760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling medische en arbeidskundige beperkingen
Appellante was sinds 1 september 2015 ziek gemeld vanwege klachten aan haar rechterschouder en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling werd het recht op ziekengeld voortgezet, maar bij een toetsing in het tweede ziektejaar stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante nog 85,04% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna het UWV de uitkering per 20 juli 2017 beëindigde.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag berustte. Appellante stelde in hoger beroep dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met haar specifieke situatie en het moeizame herstel van een frozen shoulder.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden gedaan, inclusief lichamelijk onderzoek en informatie van behandelend artsen. De beperkingen in de FML hielden rekening met aanhoudende pijnklachten en de diagnose frozen shoulder. Nieuwe medische brieven van fysiotherapeut en orthopedisch chirurg brachten geen nieuwe informatie over de situatie op de datum in geding. De Raad bevestigde dat appellante in staat was de geselecteerde functies te verrichten en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.