ECLI:NL:CRVB:2020:766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf in het buitenland niet onbillijk
Appellant ontvangt sinds 2006 een Wajong-uitkering wegens psychische en lichamelijke klachten. Na een herbeoordeling is vastgesteld dat appellant geen arbeidsvermogen heeft. In 2018 meldde de gemeente Almere dat appellant definitief in Thailand woont. Het UWV schortte daarop de uitkering op en weigerde toestemming voor voortzetting van de uitkering bij verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet zwaarwegend genoeg zijn om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. De medische stukken toonden geen objectieve noodzaak voor verblijf in Thailand. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gezondheid en sociale omstandigheden in Thailand zwaarwegende redenen vormen, maar kon dit niet met deskundigenoordeel onderbouwen.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht de uitkering heeft geschorst en het verzoek tot voortzetting heeft afgewezen. De hardheidsclausule is slechts in uitzonderlijke gevallen van toepassing en appellant heeft onvoldoende bewijs geleverd. Het verzoek om getuigen op te roepen wordt afgewezen omdat schriftelijke verklaringen van artsen al aanwezig zijn en geen aanvullende informatie te verwachten is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de schorsing van de Wajong-uitkering blijft gehandhaafd.