ECLI:NL:CRVB:2020:784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering nabestaandenuitkering wegens huwelijk appellante
Appellante ontving sinds 1 juli 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) startte een onderzoek nadat een tip binnenkwam dat appellante in Marokko was getrouwd. Uit onderzoek en een verklaring van de notariële rechter bleek dat appellante op 9 mei 2011 in het huwelijk was getreden met R. Op basis hiervan werd de uitkering per 1 juni 2011 beëindigd en de betaalde uitkering over de periode juni 2011 tot juni 2016 teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat de huwelijksakte gebreken vertoonde en overhandigde verklaringen van familieleden dat zij niet opnieuw was getrouwd. Ook wees zij op haar vrijspraak door de politierechter wegens het niet melden van het huwelijk aan de Svb. De rechtbank oordeelde echter dat het huwelijk rechtsgeldig was volgens Marokkaans recht en verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De verklaring van de notariële rechter en de huwelijksakte zijn voldoende bewijs dat appellante gehuwd is. De vrijspraak in de strafrechtelijke procedure leidt niet tot een ander oordeel in deze bestuursrechtelijke zaak, omdat de bewijsregels en toetsing verschillen. De Raad concludeert dat appellante geen recht meer had op de nabestaandenuitkering en bevestigt de terugvordering.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 maart 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante sinds mei 2011 gehuwd is en daarom geen recht meer heeft op de nabestaandenuitkering.