Appellante was werkzaam als voltijds cateringmedewerker en meldde zich ziek met klachten aan haar rechterarm en schouders. Na beëindiging van haar dienstverband kreeg zij een Ziektewetuitkering, die later werd beëindigd omdat zij met passende functies meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Vervolgens werkte zij vijftien uur per week als medewerker huishoudelijke dienst, maar meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV verklaarde haar hersteld voor de geselecteerde functies en beëindigde de Ziektewetuitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen het herstelbesluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel na zorgvuldige medische beoordeling. In hoger beroep stelde appellante dat zij door toegenomen rug- en vermoeidheidsklachten geen arbeid kon verrichten, maar verwees naar eerder ingebrachte medische stukken. Het UWV handhaafde haar standpunt en baseerde zich op een rapport van een verzekeringsarts die concludeerde dat appellante geschikt was voor haar functie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de laatstelijk verrichte arbeid als maatstaf had genomen en dat het medisch oordeel over de geschiktheid van appellante niet in twijfel kon worden getrokken. De klachten stonden niet in de weg aan het werk als medewerker huishoudelijke dienst gedurende vijftien uur per week. De Raad verwierp het hoger beroep, bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.